sábado, 25 de agosto de 2012

Desconectar


Zo’n 90% van heel caravanminnend Nederland zal bij het woord ‘camping’ aan een plek denken waar je naar toe gaat om tot rust te komen, om jezelf weer op te kunnen laden na een jaar hard werken en om lekker bruin te worden. Maar zo ontspannend en relaxed het hier voor de campinggasten is, zo stressvol en intensief is het voor het personeel, want op een camping waar gemiddeld 6000 mensen tegelijkertijd met hoge verwachtingen heen gaan, is het niet altijd even makkelijk om het hoofd koel te houden. Dus om te voorkomen dat wij als recepcionistas niet helemaal gek worden van mensen die klagen over het feit dat de standaard-standplaatsen niet genoeg schaduw hebben, dat de Franse jongeren van plaats S55 ‘s nachts weer voor overlast  hebben gezorgd, dat de airco in die en die bungalow het niet doet of dat het immoreel zou zijn dat we €20 borg vragen voor het wateraansluitingkoppelstuk, hebben we maarliefst een keer per twee weken een día de fiesta, een vrije dag. Dat komt neer op vier kostbare vrije dagen in twee maanden en daarom is het dan ook zaak ze goed te besteden. Op mijn eerste vrije dag ben ik naar L’Escala gegaan, een prachtig dorpje op z’n vijf kilometer hier vandaan, de tweede dag was Figueres de bestemming en de derde vrije dag heb ik met een collega in Barcelona doorgebracht. Vorige week had ik m’n vierde en laatste vrije dag, die ik vervroegd had omdat Anna, een Pools meisje dat ik in Sevilla heb leren kennen, mij kwam opzoeken en dat de enige dag was dat ze mij zou kunnen opzoeken. Ze werkt in Billund, Denemarken als stewardess voor Ryanair en om mij een dikke 24 uur te kunnen bezoeken heeft ze vier vluchten moeten nemen, twee voor de heenreis en twee voor de terugreis en beide keren moest ze op Londen Stansted Airport overnachten. Veel moeite voor zo’n korte tijd, vond ik, ik voelde me zelfs een beetje schuldig, maar het zou voor haar ook de eerste keer na Sevilla zijn dat ze weer in Spanje zou kunnen zijn, dus ze had er veel voor over. Ik voelde me dan ook behoorlijk lullig toen ik twee dagen van tevoren er achter kwam dat vrienden van het personeel eigenlijk helemaal niet in het personeelsgebouw mogen slapen, iets waarvan ik totaal niet op de hoogte was. Al die moeite die zij zou nemen om hier te komen en ik had het enige wat ik voor mijn rekening zou nemen, onderdak, niet eens geregeld. Ik voel me knap lullig en vraag me af hoe ik wel ooit in hoog-hoog seizoen zo last minute nog eens een goedkope tweepersoonskamer ergens dichtbij de camping ga vinden. Na verschillende tevergeefse telefoontjes naar hostels en pensions komt mijn collega Irene met een tip van een pension in L’Escala waar zij ook een keer is geweest. Een beetje cutre (kitscherig), maar de kamers waren schoon en zij had maar €45 voor een tweepersoonskamer inclusief ontbijt betaald vertelt ze. Aangezien de enige andere optie in slaapzakken in een 3-seconden pop-up tentje op een schaduwloze standaard-standplaats op onze camping à €57 was, was de beslissing snel gemaakt en vol goede hoop belt Irene pension Casa Poch op. De eigenaresse vertelt dat ze pas op de dag zelf weet of ze een kamer heeft, tot nu toe zouden ze vol zijn, maar Irene verzekert me dat ze waarschijnlijk toch wel een kamer hebben want zo’n geweldig pension is het nou ook weer niet en anders konden we ook nog op het strand slapen als de nood echt aan de man kwam. Ondertussen zoeken we op internet nog even verder, maar uiteindelijk besluit ik vurig wensend dat dit geen domme zet is, de gok op Casa Poch te nemen.
Die maandag om half twee haal ik Anna op van het treinstation in Figueres en na een klein sprintje halen we de half twee bus naar L’Escala ook nog net. Die ochtend had ik gelukkig inderdaad het groene licht van het pension gekregen, dus we zouden een fatsoenlijke plek hebben om te slapen en voor mij was het ook wel goed om te desconectar, oftewel om even weg te zijn van de camping. Na een busreis van bijna een uur waarin we over van alles en nog wat bij hebben gekletst, komen we aan bij het pension. Bij binnenkomst groet een oude Spaanse vrouw, blijkbaar de eigenaresse, ons vriendelijk en het pension doet Spaans en huiselijk aan, het valt me niets tegen voor zo’n lage prijs. We installeren ons in onze kamer en ik laat me vallen op mijn bed die tot mijn verbazing echt heerlijk comfortabel is. Na een uurtje bijkomen en opfrissen gaan we L’Escala in. L’Escala heeft een strandje midden in het centrum en daar besluiten we een merienda te nemen (een tussenmaaltijd, tussen de lunch en het avondeten) en lekker te zonnen. Rond zeven uur gaan we weer terug naar het hostel om ons om te kleden en uit eten te gaan. Deze keer is het niet de oude vrouw die ons ontvangt, maar man van rond de 30 jaar met zwart sluik haar, een vieze stoppelbaard en een een t-shirt dat waarschijnlijk al twee weken geen wasmachine had gezien. Hij groet ons vriendelijk lachend, maar ik vertrouw hem niet helemaal. Ik wil gewoon doorlopen naar de kamer, maar hij begint tegen ons te praten, daar was ik al bang voor. “Jullie zijn toch de meisjes van kamer 14?” vraagt hij en het zit me meteen al niet lekker dat hij weet dat wij ‘de meisjes van kamer 14’ zijn. Vertwijfeld bevestig ik dat waarna hij zegt: “Dan heb ik wat voor jullie, steek allebei je hand uit en doe je ogen dicht. Houden jullie van insecten?” Hij steekt z’n beide armen uit en in beide vuisten lijkt hij iets te hebben. Ik kijk hem vol ongeloof aan, wat wil deze vent? Anna heeft allang door dat het om een grapje gaat, maar ik vertrouw hem voor geen cent en ben bang dat hij een of andere grote kever in z’n hand heeft en ik weiger naar hem te luisteren. Hij dringt aan: “Kijk eens naar m’n gezicht, heb ik geen gezicht van een te vertrouwen persoon? Je kunt me vertrouwen hoor, kijk dan, deze ogen zijn toch onschuldig?” Hij kan zeggen wat hij wil, maar het enige wat door mijn hoofd gaat, is dat als hij er zo op aandringt een te vertrouwen persoon te zijn, dan kan hij dat onmogelijk zijn. Ik weiger nog steeds en vraag me af waarom Anna wel gewoon haar hand durft uit te steken. De man geeft het op en opent beide handen boven Anna’s hand: twee snoepjes. Hij lacht en zegt: “Ik heb nooit gezegd dat ik insecten in m’n handen had!” Ha. Ha. Niet grappig. Hijo de puta, denk ik, mij een beetje op de kast jagen om niks, is dit zijn manier om zijn gasten te ontvangen? Dan bedenk ik me ook nog eens dat hij al klaarstond met die snoepjes, hij heeft ons aangesproken en is niet naar de keuken of zo gegaan om iets te halen, hij had ze dus al in z’n handen. Wat voor idiote ideeën moet die man wel niet hebben, denk ik en raak licht in paniek. Ik krijg zo’n vermoeden dat cutre niet alleen ‘kitscherig’ betekent, maar ook iets in de zin van dat iets niet pluis is. Goddank is Anna heel zeker van haar zaak en als we weer naar boven gaan, stelt ze mij gerust dat hij zeker weten niks kwaads in de zin heeft, zij heeft ook een collega die zo is en dat is gewoon zijn manier van met mensen omgaan. Enigszins gerust gesteld kleed ik me om en gaan we weer naar beneden om uit eten te gaan. En natuurlijk, dan moeten we weer langs señor Engerd. Deze keer probeer ik zo afstandelijk mogelijk te zijn, maar weer lukt het hem om me vervelend te verrassen: “Ik heb jullie paspoorten nodig,” zegt hij op een opvallend dwingende toon. Op zich kan ik daar inkomen, want die vraag ik ook altijd aan alle campinggasten, maar toch, na het incident van daarvoor vraag ik me af of hij nog meer dingen met onze paspoorten van plan is. Met tegenzin geef ik m’n id-kaart, Anna kent wederom geen angst. Nouja, hier zal het wel bij blijven, stel ik mezelf gerust terwijl we de straat oplopen en na een kwartiertje hebben we een leuk lokaal barretje gevonden waar we besluiten te gaan eten. De tapas zijn heerlijk en we kletsen honderduit over Sevilla en onze levens nu onder het genot van een tinto de verano (rode wijn gemengd met frisdrank). Het is heerlijk om dingen over Sevilla te kunnen delen met iemand die er tegerlijkertijd met mij was, veel dingen hoeven we mekaar niet uit te leggen, aan een woord hebben we genoeg. Ik krijg weer zin om naar Sevilla te gaan en ik zie dat de herinnering aan Sevilla Anna niet onaangeroerd laat. Ze krijgt tranen in haar ogen als ze over haar wijk in Sevilla vertelt en ik realizeer me dat Sevilla onze levens op een aangename manier heeft gebrandmerkt. Inmiddels ben ik señor Engerd en zijn rare maniertjes allang weer vergeten, maar dan zie ik ineens een man aanlopen die verdacht veel op hem lijkt. Ik ben ervan overtuigd dat het hem niet kan zijn, dat is gewoon de angst die m’n beeld vervormt, zeg ik tegen mezelf, maar bij de tweede keer kijken realizeer ik me dat het hem wel is. “Hoe de fuck weet hij dat wij hier zitten?!” is het eerste wat door me heen schiet en ik voel hoe alle spieren in mijn lichaam zich aanspannen. Anna zit met de rug naar hem toe, dus zij heeft nog niets door. Zo onopvallend mogelijk sis ik dat die engerd van het pension hier ook is en naar ons toe komt lopen. Inmiddels, of misschien al eerder, heeft hij ons gezien, hij lacht en stopt bij ons tafeltje. Goddank hadden we het eten net op, dus aanschuiven hoeft hij niet te proberen. Hij probeert een gesprek op gang te helpen, maar ook Anna heeft er nu genoeg van en allebei kappen we het gesprek af. Als laatste redmiddel probeert hij ons wederom te charmeren met z’n snoepjes, hij wil ons allebei een geven. Anna slaat z’n aanbod af, ik ook, en hij lijkt weer verder af te druipen. Maar nee, tot m’n schrik zie ik ineens een arm langs m’n rechterzij gaan en  meneer Engerd legt alsnog een snoepje voor me op tafel neer. M’n hart slaat 180 en ik sta op het punt tegen hem uit te vallen en te zeggen dat hij normaal moet doen en moet opflikkeren met z’n stomme snoepjes, maar hij is alweer verder gelopen. Het snoepje laat ik onaangeroerd en ik kijk Anna vol ongeloof aan. Nu moet dit echt ophouden of ik word gek. Anna ziet dat hij in het barretje naast die van ons gaat zitten bij een paar vrienden, gelukkig, maar hij is dus nog steeds in de buurt. Anna weet me weer te kalmeren, we kletsen nog even verder, bestellen nog een drankje en daarna willen we nog even een nachtwandeling door het stadje maken. We hebben het laatste drankje bijna op en dan komt een andere man naar ons tafeltje en vraagt in het Engels of we misschien straks ook naar zijn bar willen komen om een drankje te doen. Erg direct en vreemd, dus natuurlijk gaan we daar niet op in. Ondertussen heeft mijn achterdocht alweer de raarste ideeën gevormd (“Misschien was dat wel een vriend van meneer Engerd en wilden ze ons op die manier meelokken naar een bar!”). De Engelse man is nog maar net uit zicht of meneer Engerd himself komt gezellig met z’n vrienden aan het tafeltje precies achter ons zitten. Ik ben bang dat de volgende stap is dat ze ons bij hen uitnodigen en ik weet hoe slecht Spanjaarden tegen ‘nee’ kunnen, dus daar zit ik niet op te wachten. Anna moet hetzelfde gedacht hebben, want ze besluit dat we hier maar beter weg kunnen gaan en de nachtwandeling te maken. Dat laat ik me geen twee keer zeggen, dus we verlaten de bar zo snel mogelijk. Ik kijk een paar keer achterom en hoop vurig dat ze ons niet op een of andere manier achterna komen.
Het stadje is prachtig bij nacht en omdat de temperatuur nog heerlijk aangenaam is, zitten veel lokale mensen nog buiten op de terrasjes. We maken foto’s van de prachtige natuur en gebouwen en eindelijk heb ik het idee een beetje te kunnen desconectar. We lopen langs de kliffen en verbazen ons over een superluxe huizencomplex, wat vast als vakantiehuis gebruikt wordt door mensen uit de buurt. Even kijk ik naar links en op een van de balkonnen zie ik een man met zwart sluik haar. Hij kijkt me aan. Nee, dit kan niet waar zijn, als dat señor Engerd is, is dit echt te bizar voor woorden. Ik kijk nog een keer goed maar omdat het donker is, is het moeilijk te bepalen of het hem echt is of niet. Nee. Het is hem niet, toch niet. Deze man heeft een snor, dat had meneer Engerd niet. Goddank, wat een opluchting gaat er door me heen. Ik voel me dom dat ik even gedacht heb dat dat hem serieus zou kunnen zijn, maar ik kan weer lachen en vertel het Anna. Tot mijn verbazing had zij hem ook gezien en dacht zij precies hetzelfde, maar ze durfde het me niet te zeggen, omdat ze bang was dat ik dan zou flippen. We moeten allebei erg lachen om de situatie en gaan weer richting het hostel. Eenmaal daar is de deur al op slot en ik hoop dat hij niet op ons heeft zitten wachten of zo, dat zou de boel helemaal compleet maken. Ik maak de deur open met de sleutel en ja hoor, daar staat meneer om twee uur ‘s nachts de glazen af te wassen. Wederom begroet hij ons weer met die gluiperige glimlach, maaar voordat hij nog iets kan zeggen, wensen we hem allebei heel snel goedenacht en glippen naar boven. Eenmaal boven ben ik bang dat hij een tweede sleutel van de kamer heeft, maar die gedachte weet ik te onderdrukken. Moe van alle spanningen maar ook tevreden van alle ontspanningen van die dag val ik op m’n heerlijke bedje voor die nacht en binnen tien minuten ben ik vertrokken. 

miércoles, 1 de agosto de 2012

Werken op La Ballena Alegre



Eindelijk ben ik er weer. Een jaar na m’n Erasmusjaar in Sevilla ben ik wederom in het land dat me elke keer weer weet te charmeren. Dit keer niet om te studeren, maar om te werken als recepcionista op een camping die als naam ‘de Blije Walvis’ draagt. Na een lange reis van twee dagen waarin 1600 kilometers asfalt onder ons voorbij gingen, komen we zaterdag 30 juni rond zeven uur ’s avonds aan op de camping. Karin – het andere meisje uit Groningen dat ook als receptioniste op La Ballena Alegre gaat werken – en ik worden zeer goed opgevangen door onze toekomstige collega’s en bij het avondeten leren we meteen al veel mensen die ook op de camping werken: mensen die in de bar, het restaurant, de supermarkt of als manusje van alles werken. Het valt me op dat alle mensen hier buitengewoon zijn, ieder hebben ze hun eigen bijzondere verhaal en verleden. Het is fijn en verfrissend weer allemaal nieuwe mensen en hun totaal andere werelden te leren kennen. Neem Daniella bijvoorbeeld, het meisje dat ons heeft opgevangen bij aankomst, een Duitse wereldreiziger pur sang, is 32 jaar, maar ziet eruit alsof ze 22 is, en sinds haar 18e is Barcelona haar uitvalsbasis tussen alle reizen en baantjes in andere landen door. Naast Duits, Spaans en Engels spreekt ze ook vloeiend Portugees, wat ze in Brazilië tijdens een tijdelijke baan als barmeid heeft geleerd, maar haar droom is sociaal werkster te worden en met kinderen of verslaafden te werken. Ik bewonder haar enorme zelfstandigheid en zelfredzaamheid, maar al gauw blijkt dat onder haar vele levenservaring en constante drang nieuwe werelden toch ook het verlangen naar een partner en een vaste baan schuilt, alsook de angst misschien alleen achter te blijven, vooral nu haar vrienden allemaal een voor een gaan samenwonen en kinderen krijgen. En dan hebben we Jordi, een van de socorristas (badmeester) bij de zwembaden, een Catalaan in hart en nieren die zijn 35 lentes goed heeft weten te verbergen onder z’n knappe kop en jongensachtige lach. Dat komt door de kou meent hij. ’s Winters werkt hij namelijk als ski-instructeur in de Pyreneeën en als ik zijn verhalen moet geloven behoort hij tot de 25 beste skiërs van Spanje als het gaat om snelheid. Maar wat nog het meeste aan hem opvalt, is de enorme rust en stabielheid die hij uitstraalt, het lijkt of niks hem uit zijn doen kan laten raken. Een kamergenoot en vriend van kinds af aan van hem is Alex, een omlaaggevallen architect die door de crisis in de bouw nu in de campingbar drankjes en eten regelt voor het vakantievierend volk dat hier naar toe komt. Een behoorlijke stap terug, maar hij klaagt niet, want hij behoort tot de gelukkige 50% van de beroepsbevolking die werk heeft en ook hij werkt ’s winters als ski-instructeur in de Pyreneeën. Dan hebben we Eva nog, een rebelse half Zwitserse half Catalaanse meid die, afgaande op haar enorm gespierde armen, meer testosteron dan oestrogeen in haar lichaam moet hebben. Na 15 jaar altijd alles te hebben gedaan waar de westerse samenleving op neerkijkt, heeft ze sinds twee jaar besloten dat het zo niet verder kan en langzaam maar zeker bouwt ze verantwoordelijkheidsgevoel en zelfbeheersing op om verder te komen in het leven. Onder haar enigszins agressieve en mannelijke uiterlijk en kledingstijl is ze werkelijk een engel. Ze is heel open naar nieuwe mensen, heeft humor en helpt je met alles: als Karin of ik een vraag hebben, kunnen we altijd bij haar terecht en legt ze het net zo vaak uit totdat we het snappen. Het is meer uiterlijk vertoon, iets wat ze zelf ook toegeeft.

Na een welverdiende nachtrust op onze nieuwe kamer worden we de volgende dag meteen ingeleid in het computerprogramma waar we op de receptie mee zullen werken. Na vijf uur nieuwe informatie verwerken, zonder praktijkoefeningen, zit de eerste werkdag er op en voelt mijn hoofd als een waterhoofd dat overloopt van informatie. Ik zie het niet zitten alles meteen te onthouden, maar Joaquín, de haan tussen alle hennen van de receptie, stelt ons gerust dat iedere fout rechtgezet kan worden en met die geruststellende gedachte in ons achterhoofd gaan we onze eerste werkweek in. Al snel blijkt het aloude spreekwoord “Al doende leert men” weer eens een onomstotelijke waarheid te zijn en na een paar dagen begin ik ineens het overzicht te krijgen en heb ik de slag te pakken, net als Karin.
Ondanks de fantastische collega’s en het leuke werk, heeft de eerste week wel z’n tol geëist. Die zondag ben ik helemaal kapot en heb ik werkelijk geen kracht meer, hoeveel ik ook er tegenaan eet. Rust, dat is het enige wat m’n hoofd wil, maar mijn eerste día de fiesta (vrije dag) heb ik niet eerder dan over een week. Lichtelijk in paniek besluit ik naar Joaquín te gaan en hem te zeggen dat ik die dag niet kan werken. De woorden zijn nog niet koud of de spanning van alle veranderingen en nieuwigheden komt eruit. Ik schaam me kapot dat ik na een week al jankend tegenover m’n baas sta en ik moet vragen of ik de dag vrij mag nemen, maar goddank neemt hij het erg goed op en hij vertelt me dat iedereen door dezelfde fasen van aanpassing gaat. Het aanpassen duurt minstens tien dagen heeft hij uit ervaring geleerd en ineens voel ik me lang niet meer zo slecht dat ik na acht dagen mijn ‘instortmoment’ heb. Honderd kilo lichter verlaat ik de receptie en die dag wordt mijn ‘reset-dag’: alle veranderingen van dagritme, eten en mensen, krijgen nu een plekje en in de dagen erna merk ik dat ik telkens meer kracht krijg. M’n lichaam kan weer met de veranderingen uit de voeten en de dag daarna begin ik voorzichtig weer te werken en na een vervroegde día de fiesta ben ik er weer helemaal bij.
Inmiddels wordt het werk steeds meer een aangename routine waardoor ik meer tijd voor de campinggasten heb tijdens de check-ins en het is te merken dat de campinggasten dat ook leuk vinden. Ze vertellen graag wat er onderweg allemaal is gebeurd, hoe het verkeer in noord-, midden-, zuid-Frankrijk, boven Lyon, onder Perpignan of bij dat ene knooppunt was en hoe slecht het weer wel niet in Nederland is. En dan de reactie als Nederlanders er achter komen dat ze in het Nederlands kunnen worden geholpen met hun probleem en dat ze niet in het Engels of gebrekkig Spaans alles hoeven uit te leggen, geweldig! Ze springen nog net geen gat in de lucht, op één gezin na, waarvan de vader echt door het dolle heen leek te zijn dat er ‘iemand van hen’ in de receptie hen te woord kon staan. Daniella schrikt ervan hoe enthousiast de man reageert, en haar gezicht verraadt dat ze zich afvraagt waarom haar Duitse landgenoten daar veel minder gevoelig voor lijken te zijn. Op die vraag hebben we allebei het antwoord niet, maar een interessant cultureel verschil is het zeker.

Na inmiddels vier weken te hebben gewerkt op La Ballena Alegre, is me opgevallen dat het werken op een camping twee gezichten heeft. Aan de ene kant is het leuk, want je werkt in een ontspannen omgeving en als je vrij bent is het strand daar op steenworpafstand. Het nadeel soms is echter dat je altijd wordt bekeken en herkent door de campinggasten, het is me al vaak overkomen dat mensen groeten me waarvan ik me echt niet kan herinneren dat ik ze geholpen heb. Je bent een soort van half beroemd, (“oh kijk, die zijn toch van de receptie?”) maar tegelijk wordt je geacht onzichtbaar te zijn, want als werknemer mag je geen gebruik maken van het zwembad, het terras en alle andere faciliteiten. We mogen alleen in de pub en de discotheek komen, maar dat zijn nu juist de raarste plekken om campinggasten tegen te komen.Daar vervagen rollen en zien ze me niet als receptioniste Martine, maar als Martine. Ik voel me al op een rare manier schuldig als ik met een biertje in m’n hand sta, het is alsof ik m’n geloofwaardigheid als recepcionista dan ineens kwijt bent ofzo. Dat is natuurlijk niet zo, tenzij je dronken of wild dansend wordt gezien natuurlijk, maar het zijn plaatsen waar twee werelden in contact komen die in principe gescheiden (moeten) worden gehouden. En dat kan soms hele gênante situaties opleveren, zoals het geval bij onze Duitse collega Hannah. Op de Mojito-party van afgelopen zaterdag wilde een halfdronken campinggast per se met ons proosten en daarna ging hij achter een van onze collega’s, Hannah, dansen. En alsof dat nog niet erg genoeg was, bleek ook nog dat zijn vrouw en twee vrienden op twee meter afstand stonden, zich ook rot schamende. Gelukkig had de man al snel door dat hij een grens had overschreden en half beschaamd half trots op zichzelf druipt hij af.

Het is een wereld op zich, een camping tijdens de zomer. Regels en gewoonten die thuis gelden, gelden hier niet. En dat leidt soms tot vervelende situaties, maar heeft ook z’n charme. Ik heb nog nooit zoveel hardwerkende Nederlanders bij elkaar gezien, die van hun welverdiende jaarlijkse vakantie genieten, onder het genot van het gezelschap van vrienden en familie en te veel bier, waardoor het kind in ze soms weer even naar boven komt: ik kan m’n lachen niet inhouden als de band op diezelfde Mojito-party een overbekend jaren ’70 rock-nummer aanzet en de dansvloer zich vult met alleen maar ouders tussen de 40 en 50 jaar die compleet uit hun dak gaan.

jueves, 28 de abril de 2011

Vamos a Lisboa oh ohohoho!

Dit is de langste blog tot nu toe, dus ga er maar even voor zitten zou ik zeggen ;).

Vanwege de Semana Santa (Heilige Week) die hier in Sevilla groots wordt gevierd, hadden we allemaal een week vakantie en daarom besloten wij als huisgenoten samen een reisje buiten Spanje te maken. Al gauw waren we er uit, we zouden naar Lisboa gaan, de hoofdstad van Portugal, want daar waren al een paar geweest en zij vonden het een hele leuke stad om weer eens te bezoeken. Na uren op internet zoeken naar appartementen en auto’s die we zouden kunnen huren en enige misverstanden over wie er nou eigenlijk wel en niet meeging naar Lisboa, konden we vorige week eindelijk alles boeken en alvast zin kweken. We zouden van maandag tot donderdag gaan dus theoretisch gezien zou ik zondagmiddag mijn spullen en zo allemaal klaar moeten pakken zodat dat niet meer op het laatste moment zou hoeven en zodat ik vroeg op bed zou kunnen gaan, omdat de wekker de maandag om 7.15u alweer zou rinkelen. Maar ja, dan hebben we nog de praktijk: ‘s middags wat aangerommeld, ‘s avonds drie uren geskyped met Anke en met heit en mem, daarna met Valentine broodjes, water en fruit bij de OpenCor gehaald om mee te nemen tijdens de rit, daarna nog met Katka en Valentine gekletst want Katka kwam net terug van haar weekje terug naar de República Checa. En om half twaalf had ik nog niet eens naar de koffer gekeken. Dat werd dus niet vroeg op bed en uitgerust beginnen aan een reis van zes uur in de auto. Om 1 uur ‘s nachts zat ik nog mijn kleren en laders in mijn koffer te stoppen, broodjes te smeren voor de reis en te besluiten of ik mijn laptop wel of niet mee zou nemen. Ondertussen hield Katka ons nog steeds gezelschap en vertelde dingen over wat ze gedaan had die vorige week in haar land, waardoor ik uiteindelijk pas om 2 uur klaar was en Valentine om half drie nog steeds bezig was met haar tas pakken...
Ondanks de kleine vijf uurtjes slaap, sta ik de maandag aardig fit en met zin in de reis op. Ook Valentine was ondanks haar korte nacht best fit. Even naar de primera (niet de winkel, hier bedoelen we daar de eerste verdieping mee) om te kijken of Chloe ook al uit bed was en ja hoor, ook zij was al bezig zich klaar te maken. Om kwart over acht gingen we richting het busstation om de bus van half negen te pakken naar het vliegveld, want daar stond de auto die we gehuurd hadden. Eenmaal aan de beurt bij de balie van Auriga Crown bleek dat de problemen alweer voor het oprapen lagen. De eerste: de auto die we gehuurd hadden, mocht alleen bestuurd worden door iemand van 25 jaar of ouder. Dus tenzij we de baliemedewerkster er op een of andere manier van konden overtuigen dat het jaartal 1989 een typfout op het paspoort was en dat het eigenlijk 1986 moest zijn, konden we het wel shaken. Even lijkt het erop dat we via internet weer een nieuwe aanvraag moeten indienen, maar gelukkig bestaat er ook nog zoiets als klantenservice, dus we moeten maar even naar dit en dat telefoonnummer bellen en dan kunnen zij misschien regelen dat we een kleinere auto krijgen die je vanaf 21 jaar mag besturen. Ik besluit die taak op me te nemen, en bel naar het opgeschreven telefoonnummer. Helaas is de verbinding superslecht, de mevrouw aan de andere kant superchagerijnig en het probleem superingewikkeld. Maar de aanhouder wint en na het plotseling ophangen van de medewerkster lijkt de categorie auto te zijn veranderd en kunnen we alsnog diezelfde ochtend gewoon naar Lisboa gaan. Maar eerst nog probleem twee: er staat standaard maar één bestuurder geregistreerd. En wij wilden alledrie rijden om af te kunnen wisslen, maar dat idee kostte ons €15 per extra bestuurder, een regeling die nét per 1 april was ingegaan, vertelt de baliemedewerkster, alsof dat ons zou troosten, “daarvoor was het altijd gratis.” Grrrrrrr. Maar dat was nog niet alles, want aangezien ik net vier weken te kort kwam om voor 21 door te mogen gaan, moest ik nog eens €25 betalen om überhaupt achter het stuur te mogen zitten. Dan probleem drie: plus de all-risk verzekering nog, “dat wordt dan €380 in totaal, por favor.” Dit konden we niet goed gehoord hebben, 380 euro? De offerte op internet was 80 euro! Bleek dat mevrouw er vanuit was gegaan dat we als verzekering degene van €3 per dag + €150 fianza (borg) hadden gekozen. Maar als je de verzekering van €5 per dag deed hoefde je geen enorme borg te geven, dus die wilden we veel liever als arme studenten die niet in een keer even 400 euro voor kunnen schieten. Daardoor kwam de totaalsom uiteindelijk uit op zo’n €240, een stuk beter dan €380, maar we waren niet blij met de verdriedubbeling van wat we aanvankelijk dachten te moeten betalen. Na enig geklaag van Valentine over het niet duidelijk zijn van al die extra kosten, besluiten we dat het geen zin heeft te protesteren, want hebben geen andere keuze en met lichte tegenzin geeft Chloe haar creditcard. De vrouw geeft ons de sleutel die wij met niet gemeende glimlachen aannemen. We lopen richting de auto: het is een nette Renault Clio. Probleem vier: zonder navigatie. Daar hadden we eigenlijk wel op gerekend, maar we hadden geen zin om weer terug te gaan naar de balie en wéér €25 euro extra te betalen voor een TomTom, dus met frisse vrees de weg kwijt te raken en een van Mischa en Petr geleende Tsjechische wegenkaart van Spanje en Portugal gaan we rond tien uur dan eindelijk de autopistas (snelwegen) te lijf.

Eerst rijdt Valentine, tot aan Faro en daar neem ik het stuur over. De auto is nieuw en dat is te merken aan zijn rijgedrag: waar ik bij onze Mercedes het rempedaal helemaal moet indrukken om echt remkracht te hebben, hoef ik nu maar naar de rem te kijken of hij maakt al een noodstop. Diezelfde gevoeligheid geldt voor het gaspedaal en met horten en stoten probeer ik de auto netjes en veilig op de wegen te houden, terwijl we zoeken naar een bordje dat ons weer richting de snelweg stuurt. Die vinden we niet, maar gelukkig biedt de Tjechische kaart uitkomst. Na zo’n twee uur gereden te hebben, wisselen we weer en rijdt Chloe het laatste stuk, en dat gaat heel goed. Tot aan de stad Lisboa. Nu we weer van de bijna lege tolweg af zijn en we ons in het eenrichtingsverkeer van de Portugese hoofdstad bevinden wordt het allemaal wat moeilijker. En dat leidde tot onze eerste bijna-botsing, want een Portugese snelle jongen meende op een tweebaansrotonde wel even van de binnenbaan voor ons langs te kunnen schieten om nog net de afslag mee te kunnen pikken. Goddank voor de goede remmen van de Clio. Die zouden later ook nog een paar keer heel goed van pas komen, maar laat ik daar maar niet teveel op ingaan... Na een kwartier door de stad rijden komen we steeds dichter bij de straat van ons appartement, maar het laatste stuk is altijd het moeilijkste en aangezien we nu ook niets meer aan onze Tsjechische wegenkaart hadden, vragen we aan een groepje Portugese oudere mannen die zitten de vissen bij de kade (Lisboa heeft namelijk een inham) waar de Rua Carvalho Freirinha is. Helaas, wat al te verwachten was, kon de man die ons hielp alleen maar Portugees en ondanks dat we aangaven dat we geen Portugees kenden, ratelde hij een routebeschrijving op alsof we wél alles konden begrijpen. Dus met twee of drie woorden die op het Spaans links en rechts en rechtdoor lijken en een slappe lach gaan we weer verder. We moeten een tweede keer vragen, maar we zaten er niet ver vanaf, dus om vijf uur kwamen we eindelijk bij het appartement aan. De jongens, Matthijs, Sjors en Simon (twee Nederlandse vrienden van Matthijs), waren daarvoor in Vilamoura geweest (Zuid-Portugal) en kwamen vanuit daar in hun gehuurde auto richting Lisboa. We zijn allemaal moe van de reis en Chloe en Valentine, keukenprinsessen als ze zijn, maken heerlijk pasta voor iedereen klaar. De anderen willen die avond nog op stap, maar ik voel me nog erg moe van de reis en besluit niet mee te gaan. Maar door de heftige regen die die avond valt, besluiten de anderen eerst nog even te wachten en daarna pas de stad in te gaan. Iemand vraagt of we ook een spelletje of zo kunnen spelen en ik bedenk me dat ik voor de grap het Sinterklaas-memorie-spel wat ik in november van heit en mem voor Sinterklaas had gekregen in m’n koffer had gedaan. Dus daar zaten we dan als twintigjarigen om half twaalf ‘s avonds in ons appartementje in Lisboa terwijl de regen met bakken uit de hemel kwam memorie te spelen.

De volgende dag stonden Chloe, Valentine en ik rond tien uur op om de dag goed mee te kunnen pakken - en ja, natuurlijk hadden we apart geslapen, wij als meiden in de woonkamer en de jongens in de twee slaapkamers, dat daar geen misverstanden over bestaan. Dus om half elf zaten wij aan het ontbijt en daar had ik me toch een halleluja-moment: toen Valentine het hoekkastje open deed zag ik tot mijn grote verbazing dat er hagelslag in stond!!! Een echte Nederlandse Venz Puur hagelslag nog wel!! En hij was nog bijna vol ook! Wat een goed begin van de dag! Dus ondanks de regen die die ochtend viel terwijl wij door de stad slenterden had ik een permanente lach op m’n gezicht. We bezochten het Mode en Design Museum en ‘s middags ben ik met de jongens naar het Oceanário geweest, een soort waterdierentuin, terwijl Chloe en Valentine naar een tweedehands antiekmarkt gingen. ‘s Avonds hebben wij de overgebleven pasta nog opgegeten wegens internet dat het niet deed waardoor we geen andere recepten konden opzoeken. Tijdens het eten komen we er achter dat we vroeger allemaal naar dezelfde muziek hadden geluisterd, de happy hardcore van toen we een jaar of 13, 14 waren en het ene na het andere nummer wordt opgezocht op YouTube en we hebben de grootste lol. Het idee dat we dat toen zulke supergave muziek vonden en altijd al dronken van twee bier waren in de plaatselijke discotheek waar iedereen uit alle omliggende dorpen naar toe ging, schept op een of andere manier een band en ik ben nog nooit zo blij geweest met Nederlanders te zijn.
Chloe en Valentine besluiten in de stad te eten en we spreken af hen die avond weer op te zoeken als we op stap gaan. Rond twaalf uur gaan we met een taxi naar de stad en zeggen hem naar de beroemde supersteile straat te gaan, waar de oudste tram van de stad nog steeds op en neer gaat, want daar hebben we met Valentine en Chloe afgesproken. Ervanuitgaande dat een taxichauffeur zijn stad als geen ander kent vertrouwen wij volledig op hem, maar achteraf blijkt hij niet helemaal begrepen te hebben om welke straat het nou eigenlijk ging. Toch stappen we maar uit en besluiten het aan mensen op straat te vragen. Maar niemand weet om welke straat het gaat en uiteindelijk na een half uur zoeken en onderweg drie keer cocaïne aangeboden gekregen te hebben - wat we natuurlijk afwezen, laat ook daar geen misverstand over bestaan - spreken we af mekaar te treffen bij een bar waar de rest de avond daarvoor ook al was geweest. Het is supergezellig, maar helaas gaat de bar om 2u al dicht en juist op dat moment begint het te regenen. Met drie kleine parapluutjes lopen we per twee onder een paraplu op zoek naar een andere discotheek, maar die is moeilijk te vinden. Ik besluit dat ik het wel genoeg vind voor vandaag, en ook Sjors wil weer naar huis, want hij is zeikdoornat geworden. Wij nemen de taxi naar huis en zo’n drie uur later word ik wakker van de rest die thuis komt. Ze hadden uiteindelijk nog een leuke discotheek kunnen vinden en hadden allemaal mensen leren kennen en het ene na het andere grappige verhaal wordt me verteld, waardoor ik het bijna jammer vind dat ik eerder was terug gegaan.

De volgende dag is een brakke dag voor iedereen, want we waren pas om 6u weer gaan slapen. Sjors en Simon moeten ‘s middags alweer richting Sevilla, want Sjors heeft de volgende dag om half zeven ‘s ochtends alweer de ryanair-vlucht richting Eindhoven. Dus als vier huisgenootjes blijven we over en na het ontbijt om half drie gevolgd door een siesta tot half vijf, gaan we om vijf uur dan eindelijk weer de stad in. We maken een wandeling langs de zee en kopen bij een beroemde pastelería nog beroemdere “Pasteis de Nata” die we in een park opeten. Tot ieders verbazing zijn ze werkelijk heerlijk en eigenlijk willen we nog meer kopen, maar de winkel is alweer dicht.
‘s Avonds gaan we niet meer uit en Valentine en Chloe buigen zich weer over het avondeten: brandade de morue, een soort gegratineerde ovenschotel van gestampte aardappelen met bacalao (kabeljauw), die maarliefst anderhalf uur bereiding nodig heeft. Maar het resultaat mag er zijn en ik heb er weer een vissoort bij die ik lekker vind. Er blijft wel veel over, wat we besluiten aan de dueña (huisbazin) te geven de volgende dag als we om 12u de sleutels weer moeten inleveren. Ze is van origine Franse en Valentine praat veel met haar. Dan ineens schiet me de hagelslag te binnen en vraag aan Valentine of zij wil vragen of ik die mee mag nemen. Wanneer de vrouw dat hoort, moet ze lachen en natuurlijk mag ik die meenemen, “die is toch niet van mij, waarschijnlijk hebben vorige huurders het laten liggen.” Dus wederom met een grote smile op m’n gezicht gaan we richting de auto met al onze koffers en tassen. We gaan vandaag weer de stad in en parkeren de auto langs de weg om ‘s avonds rond een uur of negen de terugreis weer in te zetten. Chloe rijdt als eerste in de stromende regen, met Valentine als kaartlezer. Na dik anderhalf uur maken we een stop bij een benzinestation en daarna rijdt ik verder. Het merendeel is gewoon snelweg dus niets aan de hand ondanks een kleine vergissing van onze co-pilote: we zijn richting Badajoz gereden in plaats van Évora en daardoor zijn we zo’n 100 km omgereden. Maar goed, geen ramp, want in Badajoz konden we afslaan richting Sevilla. Of dat dachten we tenminste. In Badajoz werd Sevilla één keer aan gegeven en toen we daarna op een T-splitsing kwamen werd er helemaal niets aangegeven. Wat te doen? We gaan dan maar links, maar daarna komen we alleen maar borden tegen over dingen ín de stad, niet over hoe weer úit de stad te komen. Na een kwartier rondrijden besluiten we aan twee politie-agenten te vragen welke weg naar Sevilla ging, en zij zeiden dat we weer helemaal terug moesten naar waar wij net vandaan waren gekomen. Dus stonden we weer voor dezelfde splitsing. Dan maar rechts proberen, maar dat was de weg weer terug naar Portugal dus dat kon ook onmogelijk de bedoeling zijn. Na drie keer op hetzelfde kruispunt te zijn uitgekomen, bedenkt Valentine ineens dan we ergens alleen een keer links zijn gegaan maar nooit rechtdoor, dus dan moest dat het wel zijn en gelukkig, na een uur doelloes midden in de nacht rond te hebben gereden in Badajoz, waren we op de weg naar Sevilla gekomen. Bij het eerst volgende pompstation besloten we te wisselen van bestuurder, want na drie uren rijden was mijn concentratie ook niet meer optimaal. Aangezien we nu op een N-weg zaten, moesten we van de weg af om bij een pompstation te komen en in een boerengat gingen we er af en wisselden we van bestuurder. Daar was ook een discotheek en aangezien we even naar de wc moesten, zijn we daar naar binnen gegaan terwijl de mensen die daar nog waren ons wat raar aankeken, alsof ze wisten dat we alleen maar voor de wc kwamen. Maar het probleem met de pompstations in zulke dorpen is dat ze alleen overdag bemand zijn en in het ietwat achterlopende Spanje nog niet voorzien zijn van een nachtautomaat waar je met je pinpas kunt betalen. Want door het uur wat we in Badajoz kwijt waren geraakt had ook kostbare liters diesel gekost en Valentine zat nog maar net achter het stuur of het lampje van tanken sprong aan. Meestal kun je dan nog wel een dikke 100 km rijden, maar aangezien de rit nog zo’n kleine 100 km was zou dat wel heel krap worden. Ze zou superzuinig moeten rijden, maar de spanning in de auto of we het zouden halen - met het idee dat alle pompstations die we aan deze weg zouden tegenkomen toch niet open zouden zijn - zonder ergens onderweg stil te vallen was ondraaglijk, samen met de baalgedachte dat we niet bij die eerste stop even getankt hadden. We kenden deze auto niet, en ondanks dat hij de hele tijd erg zuinig had gereden, minstens 1 op 20 zou ik zeggen, wisten we niet hoeveel liter er nog in zat en hoe ver we dus nog konden komen. Allerlei rampscenarios hadden zich al gevormd in m’n hoofd totdat we ineens een bord zagen met pompstation 0-24h! Een enorme opluchting ging er door de auto heen toen we het pompstation zagen en zagen dat er licht brandde. We moesten de auto de volgende dag met een zo leeg mogelijk tank weer inleveren, maar we wilden geen risico meer nemen dus we hebben er 7 liter ingegooid, goed voor z’n 140 km en we moesten nog maar 70 dus dat moest goed komen. Dat laatste stuk leek ineens een stuk sneller te gaan, de kilometers vlogen onder ons door, alsof de auto nu een stuk lichter reed nu de spanning van ‘redden we het of niet’ er af was. Om 5u kwamen we dan eindelijk aan na en rit van bijna acht uur en we waren allemaal kapot. Maar we moesten de auto die ochtend om 9u weer bij Auriga Crown afleveren. Ik en Valentine zagen het echt niet zitten nu op bed te gaan en er om 8u weer af te moeten om de auto in te leveren. Chloe had er minder moeite mee en bood aan dat te doen. We boden nog aan mee te gaan uit loyaliteit, want nu moest zij nog opblijven tot 9u, maar ze zei dat het ook geen zin had om met z’n vieren de auto in te leveren, waar ze gelijk aan had, dus uiteindelijk is ze alleen gegaan.

Matthijs was de enige die niet had gereden en dat was omdat hij geen rijbewijs had - daar hadden we natuurlijk al de nodige grappen over gemaakt. Maar als dank aan ons dat wij de hele nacht ons best hadden gedaan ons veilig en wel terug in Sevilla te krijgen, had hij de volgende dag een heerlijke pasta met groenten voor ons gemaakt.

Het was raar om weer terug te zijn in ons huis. Door een tijdje in het buitenland te zijn geweest, hadden we echt het vakantiegevoel te pakken gekregen en Calle Juan de Juanes 9 was nu ineens ons ‘thuiskomen’. Ondanks dat het heel mooi is dat we hier dus allemaal een thuis hebben gevonden in ons huis, is het ook dubbel, want we weten allemaal dat we over een dikke twee maanden dit thuis voorgoed moeten verlaten. 

domingo, 17 de abril de 2011

Komt een jongen bij de dokter...

Na onze aanvaringen met de Spaanse politie (ja, meervoud: er is drie weken daarna nog een geweest, maar  minder spectaculair dus niet genoemd in een blog. En omdat men anders een vertekend beeld krijgt van jaar op Erasmus gaan), bleek vorige week dat een ander deel van het Spaanse ambtenarenapparaat aan de beurt was: de gezondheidszorg.
Wat was het geval? Een van onze huisgenoten, Matthijs, had last van een rood oog dat steeds erger werd, waardoor hij naar een médico wilde. Aangezien ik als studente Spaans in het huis de meeste ervaring met de Spaanse taal en cultuur heb, bood ik aan met hem mee te gaan naar een arts. Bovendien konden we dan ook gewoon in het Nederlands overleggen en sowieso is het fijn om niet alleen te zijn als je in het buitenland naar de dokter moet, al helemaal in Spanje. Dus vorige week donderdag om 16u gingen we vol goede moed richting de farmacia (apotheek) op de hoek met Eduardo Dato, want, hoopten we, misschien was het oog alleen maar geïrriteerd en kon het hele probleem opgelost worden met wat druppeltjes. Maar dat was natuurlijk weer te vroeg gejuicht, we waren nog niet eens bij de balie aangekomen of de Spaanse apothekersassistente had haar oordeel al klaar en lachte: “Nee nee, jongen, kom je voor je oog? Nee, wij kunnen je nu niet helpen, hier moet echt een arts naar kijken. Je moet naar dr. Fleming gaan.” De directheid waarmee ze dat zei, maakte me een beetje bezorgd, maar we lieten ons niet uit het veld slaan. “Waar zit die dan?” Daarna volgde een uitgebreide beschrijving van hoe daar te komen, gelukkig was het niet ver. Eenmaal aangekomen bij het hospital van dr. Fleming, gingen we naar binnen en zochten we naar iets wat leek op een receptie. Die vonden we niet, maar iemand die daar leek te werken vroeg ons wat het probleem was. Matthijs wees naar zijn oog dat boekdelen sprak en de man meldde ons dat we dan hier niet in het goede gebouw zaten en liep richting de ingang/uitgang: “Jullie moeten naar Las Palmeritas, daar aan de overkant, hier zit geen oogafdeling,” zegt hij terwijl hij wijst naar een gebouw schuin tegenover het gebouw waar we nu zitten. Gelukkig is dat dus helemaal niet ver en we bedanken de man en lopen richting Las Palmeritas. Als we binnenkomen duurt het even voordat we aan de beurt zijn, maar het is in ieder geval niet druk. We melden ons bij de balie en leggen het geval uit. De vrouw die ons helpt, is van middelbare leeftijd en lijkt helemaal vastgeroest in haar werk, maar desondanks vraagt ze aan een andere weer iets oudere vrouw hoe ze zoiets eigenlijk doen met buitenlandse patiënten. De vrouw zegt iets over een formulier dat we moeten invullen en dat stopt ze ons toe. Met een voorgevoel dat er vast wel iets fout zal gaan hiermee, geef ik het formulier aan Matthijs, dat de vrouw vreemd genoeg aan mij had gegeven in plaats van hem. Maar omdat Matthijs door zijn rode oog ook geen lenzen in kon doen, waren de kriebelige lettertjes wel erg vaag geworden, dus vul ik het formulier alsnog voor hem in (dat had de vrouw achter de balie zeker ook al bedacht, bedenk ik me daarna). We geven het formulier af en Matthijs moet ook zijn European Insurance Card afgeven en dan doet het eerste probleem zich voor: staat Nederland eigenlijk wel in het systeem? “María, hoe staat Nederland in het systeem, Holanda of Los Países Bajos? Want ik vind niks bij de H en niks bij de L, volgens mij staat hij er niet tussen.” Dit konden ze niet menen, stond Nederland niet in het systeem?! Een derde man wordt er bij gehaald en hij zegt dat ze onder de P moet zoeken, dat doet ze maar de computer says no. “Ah, oh nee, toch wel hier staat hij, ik keek er over heen,” lacht ze alsof ze ons helemaal niet had laten schrikken. Nu moest zij alle gegevens die wij hadden ingevuld in de computer zien te krijgen. Dat ging gelukkig iets soepeler, maar de Nederlandse ID-kaarten blijken na de Spaanse politiemannen ook voor de receptioniste nog steeds een uitdaging, want bij de papieren uitdraai blijkt dat ze bij het geboortejaar 1986 ingevuld in plaats van 1989, en dat terwijl ze nog expliciet had gevraagd of 26-10-1989 de geboortedatum betrof… Maar goed, we klagen niet want we staan in het systeem, we zijn weer een stapje verder op weg naar een eventueel antwoord op wat er met Matthijs’ oog aan de hand zou kunnen zijn. Inmiddels is het half vijf geweest en geeft de vrouw ons een consultbriefje mee dat we om 16.40 een consult hebben, oftewel over vijf minuten, ik kan m’n ogen niet geloven, dat is hartstikke snel, helemaal voor Spaanse begrippen. We moeten een trap op en gaan zitten bij de stoeltjes van consultkamer 10, waar nog een oudere man en een oudere vrouw met krukken zitten. Ook bij de andere consultkamers is de overgrote meerderheid van de 'derde leeftijd' en ik voel me bijna een beetje ongemakkelijk na enkele enigszins verontruste blikken richting mijn spijkerbroek vol gaten, mouwloze zomershirtje en versleten sneakers. Na tien minuten zijn wij aan de beurt en leggen we voor de derde keer de situatie uit. De vrouw kijkt ons wat vreemd aan, alsof ze het raar vindt dat we daarvoor naar háár komen, want zij blijkt niet de juiste apparatuur te hebben om een goede diagnose te stellen, iets wat wij natuurlijk nooit van te voren hadden kunnen weten. Nou ja, misschien ook wel, want we zijn immers nog steeds in Spanje en dan lukken de dingen nooit in een keer, iets wat nu wederom werd bewezen. Ze kijkt nog wel even met een zo’n lampjeding in zijn oog, maar kan niets met zekerheid zeggen, dus we voelden hem al aankomen, weer een doorverwijzing. Bestemming nummer 4 zouden de Urgencias Generales (Spoedgevallen) van het Hospital Virgen del Rocío zijn, zo’n twintig minuutjes lopen vanaf hier zei de dokter. Nou dat klonk gelukkig weer niet ver, maar daarna zei ze: “Ja, je weet wel, vlakbij de campos Betis.” De wat?! Om de hilariteit van die situatie te begrijpen, moet je de stad kennen, dat is namelijk echt het andere uiterste van de stad. Dat is nooit twintig minuten lopen, hardlopend misschien, maar dat leek me ook niet een heel goed idee met iemand die een formulier op een halve meter afstand niet scherp kon zien. Dan beter met een taxi, besluiten we en lopen weer naar buiten en gaan op zoek naar een dergelijk vervoersmiddel. We lopen weer terug naar het gebouw dr. Fleming en geheel toevallig kom ik daar vlak bij de ingang Jesús tegen, een oudere man waarmee ik in het eerste semester Latijn heb gehad. Hij vertelt ons dat hij even naar dr. Fleming moet voor zijn voet en als we willen kunnen we op hem wachten en dan brengt hij ons in de auto naar Urgencias. Dat moet je de Spanjaarden wel nageven, ze willen je altijd helpen en om hem dus niet te beledigen gaan we in op zijn aanbod. We gaan met hem naar binnen, naar de derde verdieping waar hij zou worden opgeroepen te midden van een grote wachtkamer. Hij vertelt ons wat er aan de hand is met zijn voet, maar ondanks dat ik nu al een half jaar heb kunnen wennen aan het Andalusische accent, kan ik er deze keer geen kloppend geheel van maken. Iets over een consult en daarna scans van zijn voet. Na vijftien minuten wachten, bleek dat zijn naam al een keer was omgeroepen, en nu was er blijkbaar iemand voor hem gegaan, en aangezien hij daarna ook nog scans moesten laten maken, besluiten Matthijs en ik even een broodje te gaan halen aan de overkant van de straat en Jesús zou ons dan bellen zodra hij klaar was. Zo gezegd, zo gedaan. We gaan naar een barretje waar bijna niemand meer is, waarschijnlijk omdat het al half zes was en dus de tijd om te lunchen weer voorbij was, en nemen een broodje terwijl we de laatste ontwikkelingen in het huis en de hele situatie rond zijn oog bepraten. We zijn toch nog wel een paar uur onder de pannen schatten we, dus laten we er dan ook maar een leuk uitje van maken of niet soms? Na een half uur belt Jesús dat het waarschijnlijk wel meer dan een uur gaat uitlopen met zijn scans, en daarop besluiten wij dan alsnog maar met een taxi naar het ziekenhuis te gaan. Dus rond zes uur gaan we weer verder en al gauw houden we een taxi aan die ons netjes naar Virgen del Rocío brengt. De taxirit duurde een dik kwartier, dus je kunt wel na gaan dat mevrouw de dokter toch echt wat te optimistisch had gedacht met haar twintig minuten lopen.
Matthijs betaalt de taxichauffeur en we gaan naar binnen, waar een beveiliger ons vertelt dat we ons eerst moeten melden bij de balie. Na twee andere patiënten zijn wij aan de beurt en we moeten dezelfde gegevens als de eerste keer doorgeven. “En uw European Insurance Card?” (uitgesproken als: ee-oe-r-o-pee-an ien-soe-ran-se kard.) Matthijs pakt z’n beurs, maar tot zijn schrik zit de EIC er niet in. “O wee als hij nog bij Las Palmeritas ligt,” zeg ik, er al van overtuigd dat we hem vast inderdaad zijn vergeten weer terug te vragen, maar voordat we ons werkelijk ongerust kunnen maken, haalt hij de pas al uit z’n broekzak. Dat scheelt weer een half uur heen en weer met de taxi! Nadat de gegevens zijn ingevoerd krijgen we een allebei een sticker, hilarisch genoeg hij een roze en ik een blauwe, en mogen we naar de wachtkamer totdat zijn naam wordt omgeroepen. Na een klein half uur zijn wij aan de beurt en een jonge vrouw en een meisje wat daar ongetwijfeld stage loopt wachten ons op. Voor de vierde keer leggen we het probleem uit de doeken waarna de vrouw met een zeer geavanceerd lijkend apparaat zijn oog te lijf gaat. Waarschijnlijk een kleine ontsteking bij een beschadiging die hij al had aan zijn cornea (hoornvlies, ik ook weer een nieuw woord geleerd :P), was haar diagnose. Met die en die druppels vier keer per dag moest dat overgaan, maar ze raadde hem aan alsnog ook naar een oogspecialist te gaan om zeker te zijn. Daarvoor moesten we naar het Centro de Diagnóstica gaan, maar dat kon vandaag niet meer want die was alleen ’s ochtends open. Daar konden we het beste de volgende dag even heen gaan. Dus met een potje druppeltjes en een afhaalbewijs voor het tweede potje druppels gingen we weer terug naar Gran Plaza om vervolgens weer naar diezelfde farmacia te gaan om die druppels op te halen. Dezelfde mevrouw was er nog steeds, en wederom begon ze al te praten voordat we bij de balie waren: “Komen jullie net bij het ziekenhuis vandaan?” vraagt ze vol verbazing. Even was ik het me onduidelijk of ze dat juist snel vond of juist niet, maar dat bleek het laatste te zijn, want ik keek op de klok en zag dat het vijf over half acht was. Meer dan drie en een half uur waren we onderweg geweest en nog steeds waren we er niet, want we moesten nog een afspraak maken voor die oogspecialist…
Maar voor vandaag was het genoeg geweest: al dat lopen, wachten en in ziekenhuizen zijn is werkelijk slopend. Na eerst een half uur op bed te hebben gelegen, heb ik een echte Hollandse maaltijd voor mezelf gemaakt, aardappelen met een gehaktbal en boontjes, om me weer op te laden en later die avond hebben we nog een aflevering van een van de eerste shows van Najib Amhali gezien: lachen is immers het beste medicijn tegen alles :).

sábado, 12 de marzo de 2011

It mat net gekker wurde!

Na de eerste twee weken van het nieuwe semester, zat het ritme er voor iedereen al aardig in en dus hadden we weer eens tijd voor een feestje. Zoals al eens eerder gezegd in een blog, heeft onze discotheek Abril iedere maandagavond en vrijdagavond een Erasmus-feest, en dit betrof een maandagavond dus wij besloten met bijna het hele huis naar Abril te gaan om weer eens lekker de beest uit te hangen. Na een uur getreuzel van een al aardig beschonken Olivier gingen we om half twee dan eindelijk die kant op. Want als je voor 2 uur binnen was, kreeg je een gratis drankje. Nou dat hebben we helaas net niet gered, ondanks dat de loop naar Abril niet meer dan een kwartiertje is. We kwamen namelijk onderweg een matras tegen. Misschien denk je, “wat heeft dat er nou mee te maken?!” Nou Chloe, onze Franse studente Kunsten uit Parijs, is een beetje onze gitana (zigeuner),  dus als zij ziet dat er weggegooide spullen naast containers liggen, is zij de eerste die daar even in rondneust of daar ook nog wat leuks of wat bruikbaars tussen zit. Zo heeft ze onze inboedel al verrijkt met o.a. een parasol, een droogrek, een stoel, Spaanse literatuur en een enorme poster van een knappe vent. En die bewuste maandagavond, toen we met z’n allen naar de Abril liepen, vonden we ons klapstuk: een matras. En niet zomaar een, deze was extra dik en zag er nog piekfijn uit, blijkbaar gekocht bij de Hipercor. Oftewel, die konden we niet laten liggen, dus Chloe en Olivier sjouwden het matras onder een auto vlakbij, zodat niemand anders hem mee zou nemen - stel je voor - en zodat wij hem op de terugweg mee zouden kunnen nemen naar ons huis. Zo gezegd zo gedaan. Dus toen wij om half vier alweer de discotheek uit kwamen rollen (er waren weinig mensen, dus we bleven niet erg lang), was het eerste wat iedereen dacht: “Zou het matras er nog liggen?” Wonder boven wonder was niemand anders op het geniale idee om een matras van de straat mee te nemen gekomen, dus hij lag nog keurig op ons te wachten onder de auto. Chloe en Matthijs hebben hem boven hun hoofd naar huis gesjouwd, heel grappig gezicht. Maar dat vonden twee politiemannen in een patrouillerende politieauto blijkbaar niet. Nou ja, ik kan ze niet helemaal ongelijk geven, ik kan me voorstellen dat ze een beetje argwaan krijgen als ze een groep buitenlandse jongeren op een maandagnacht om half vier met een matras boven hun hoofd door de stad zien sjouwen. Even was ik bang dat ze ons aan gingen houden en gingen vragen wat wij dachten aan het doen te waren, maar toen bedacht ik me, ze hebben helemaal geen reden om ons aan te houden, want naar mijn weten staat er in het Spaanse wetboek niets over het eventueel verboden zijn van het nachtelijk vervoeren van een matras. Chloe moet hetzelfde gedacht hebben, want ze begon te lachen en zei “hola!” De politiemannen zeiden iets onverstaanbaars terug, bleven ons nog even volgen en dropen weer af.

Deze ontmoeting met de politie zou niet de enige van die week zijn, zo bleek de vrijdag daarop, toen wij in ons huis het afscheidsfeest van onze Franse huisgenoot Rémi hadden. Blijkbaar zorgden de uitgenodigde vrienden van Rémi, de vrienden van vrienden van vrienden van Rémi en de muziekinstallatie van Matthijs voor teveel lawaai en daarom hadden de buren met wie wij een muur delen de politie gebeld. Dus toen ik me tussen de menigte wurmde om van de woonkamer naar de keuken te gaan, zag ik ineens twee mannen in de deuropening staan: de Spaanse policía. Fuck. “Hoe zijn die binnengekomen?” dacht ik en “Hoe lang staan die hier al?!” Olivier en Valentine stonden ook net in het gangetje bij de deur en begonnen SSSSSSHH te roepen zodat iedereen doorhad dat hij even stil moest zijn.
- “Is hier ook een Spanjaard aanwezig?” vroeg de langste van de twee.
Chloe haalde een man op die inderdaad Spaans was. De policías legden het verhaal eerst aan hem uit en aangezien ik ongeveer de nuchterste en degene met de meeste taalvaardigheid was, besloot ik daarna de taak op me te nemen dit op te lossen.
“Jullie identiteitskaarten en een bewijs dat jullie hier kamers huren, graag.” zei hij tegen mij, Valentine en Olivier. Met bonzend hart in m’n keel ging ik naar boven om mijn id-kaart op te halen, en terwijl ik dat deed besefte ik dat we nooit een kopie van het contract hebben gekregen. Misschien moesten we nu wel mee naar het politiebureau! Fuck! “Oke, rustig blijven, Martine, het valt vast mee, waar is die stomme id-kaart?!” Olivier en Valentine hadden de hunne al afgegeven en de lange van de twee schreef alles op. De kleinere leek mee te zijn voor wat meer overwicht, maar voor de rest deed hij niets. Maar meneer de politieman was niet de slimste, want toen hij vroeg of dit mijn achternaam was, wees hij naar Leeuwarderadeel. “Uh, nee, daar ben ik geboren, de Jong is mijn achternaam.” Ik dacht, “Duuh, dat staat toch bovenaan én dikgedrukt, logisch dat dat mijn naam zou zijn toch?” Maar goed, dat zei ik natuurlijk niet, want het bleef de Spaanse policía, dus dan hou je je mond wel. Olivier dacht hier duidelijk anders over, mede door de hoeveelheid drank die hij al tot zich had genomen, want die vond dat het tijd was om het ijs een beetje te breken: “Ja dat was immers die gilipollas die in de WK-finale die harde schop uitdeelde!” Waarmee hij natuurlijk die schop van Nigel de Jong bedoelde. Nou als er één ding is wat de Spaanse politie kan ontwapenen is het wel het WK, want dat hebben ze immers gewonnen, dus de sfeer was meteen een stuk relaxter. “Hahaha, en dan ben jij zeker familie van hem?” grapte meneer blauwbroek. Ik zei “Nou nee, de Jong is de meest voorkomende achternaam in heel Nederland, dus ik denk niet dat ik familie van hem ben.” Maar ik moest wel lachen om het feit dat hij dat zo vroeg, en ik dacht, “Als we grappen over achternamen kunnen maken, hoeven we ook vast niet mee naar het politiebureau.” En dat was waar, want toen hij alles had ingevuld, meldde hij ons dat er nu in principe niets aan de hand was, geen boete, geen politiebureau, maar dat als dit weer zou gebeuren dat de buren dan kunnen eisen dat wij uit het huis gegooid worden, en daar heeft de huisbaas dan niets tegen in te brengen. Dus met dat slechte nieuws, moesten ook wij nu uit het huis - intussen was iedereen namelijk al naar buiten gegaan, want het feest moest per direct ophouden - en liepen we naar de groep feestgangers die bij de kruising met Eduardo Dato op ons wachtte. Dus maar meteen naar de discotheek dan, want het was wel het afscheidsfeest van Rémi en dat mocht niet bedorven worden door de komst van deze twee ongenode gasten. Wederom gingen we naar Abril, weliswaar na enig getwist, want de ene helft wilde naar la Alameda gaan - een buurt op ongeveer een uur lopen van ons huis, en in dronken toestand dus twee uur - en de andere helft wilde gewoon naar Abril, lekker dichtbij en altijd goeie muziek. En aangezien het Rémi’s feest was, zouden we doen wat hij wilde en hij wilde naar Abril, dus probleem opgelost. Maar we waren nog maar net binnen of het volgende probleem deed zich al aan: er kwam een beveiliger op ons af en vroeg aan Petr, onze Tsjechische jongen, of hij wel even mee wilde komen. Maar hij spreekt nauwelijks Spaans en ik stond ernaast, dus ik vroeg of er een probleem was. “, willen jullie even meelopen?” Ik begon me haast een crimineel te voelen, eerst de politie al, nu de beveiligers, “nou dit is onze avond niet!” Wederom met het hart in de keel ging ik achter hem aan, gevolgd door Mischa, zijn vriendin, die in paniek vroeg wat er aan de hand was. Ik zei dat ik het ook niet wist, we moeten even praten blijkbaar. Bij de ingang waar het rustig genoeg was om elkaar gewoon te kunnen horen, zei de beveiliger: “Er is een meisje omgeduwd en zij gaf aan dat hij gedaan heeft.” Vol verbazing kijk ik hem aan. Petr een meisje omgooien? Die slaat nog geen deuk in een pakje boter, dit moest een misverstand zijn. “Ik denk dat u de verkeerde voor u heeft, want deze jongen hier drinkt nooit. Hij zit aan de cola zoals u kunt zien. Misschien was het iemand die een soortgelijk shirt aan heeft of zo, want Petr zou dat nooit doen.” Petr leek het misverstand ook te hebben begrepen, want hij vertelde me dat hij inderdaad een jongen had gezien die hetzelfde shirt als hem aanhad. Gelukkig geloofde de beveiliger ons en liet hij ons gaan. Kapot van de zenuwen van de alle toestanden vond ik dat het nu wel tijd was om eindelijk gewoon lekker los te gaan, dansen en lol te hebben. Dat was Mischa met me eens en de rest van de avond verliep zonder problemen, afgezien van een paar waarschuwingen van een beveiliger richting Olivier en Gauthier dat ze niet mochten springen, en we hebben er een feest de puta madre van gemaakt!

lunes, 28 de febrero de 2011

Terug in Sevilla!

Door de kerstvakantie, de daaropvolgende exámenes en een weekje vakantie in eigen land, heb ik al een hele tijd geen nieuwe blog meer geschreven. Nu dat allemaal achter de rug is en ik weer een beetje in het nieuwe schoolritme zit, heb ik er weer tijd voor gevonden, dus zie hier de nieuwe blog. Hij is een beetje kort, maar volgende keer doe ik weer een langere.

Maandag 14 februari begonnen de lessen van het tweede semester, ten minst dat dacht ik, maar helaas bleek al bij de eerste les dat ik al een week achterstand had opgelopen, want blijkbaar waren de lessen al begonnen toen ik in nog Nederland zat. Nou, als een goed begin het halve werk is, is een slecht begin een hele zooi werk, want nu moest is van vijf vakken alle aantekeningen, studiehandleidingen en andere teksten zien te regelen in een klas vol nieuwe mensen. Nou ja, het is wel een goede ijsbreker, dus na mijn eerste week had ik er alweer allemaal nieuwe vrienden bij. Zo ook in de les Geografía de Europa (Aardrijkskunde van Europa). Die woensdag moesten we allemaal een kaart van Europa invullen met de landennamen en hun capital (hoofdstad). “Appeltje eitje” dacht ik, “dit hebben we op de basisschool gehad dus dat kan nooit moeilijk zijn.” Maar dat was te voorbarig, want tot mijn grote schaamte kwam ik er achter dat ik de hoofdsteden van België, Duitsland, Noorwegen, Zwitserland en Polen niet eens wist te noemen, om nog maar te zwijgen over het Oostblok van Europa… Maar ik was niet de enige met een topografisch gat in z’n geheugen, want een van mijn Spaanse klasgenootjes, vroeg mij, “Wat ligt er boven België?” Mijn mond viel open van verbazing, iedereen hier kent Nederland, is het niet omdat ze van ons gewonnen hebben tijdens het WK, dan is het wel vanwege onze beroemde politiek rond de porros (joints).
-“Dat is Nederland! Daar kom ik vandaan.”
- “Oh, oh, oke, en wat is dan de hoofdstad?”
Oh. My. God. Meende ze dit nou?! Maar ja, zoals ik al zei, ook ik wist de hoofdsteden van onze omliggende landen niet, dus ik denkt dat dit nog een leerzaam semester gaat worden!

De donderdag werd er bij de deur van onze verdieping aangebeld en Valentine deed open.
- “Martine, kom eens.”
- “Wat is er dan?”
- “Ik weet het niet, het is een verrassing of zo. Je moet meekomen.”
“Okeeeee,” dacht ik, terwijl ik naar de deur liep en Valentine’s uitgestoken hand vastpakte.
Onderaan de trap stonden María José, een onbekende jongen en Antonio, onze huisbaas. Toen fluisterde Antonio met een brede grijns op z’n kop: “Kun jij misschien met hem praten? Wij verstaan hem niet.” Ik dacht, “wat is hier nou weer aan de hand?! Is dit een of ander sociaal gestoorde persoon die met niemand durft te praten of zo, en misschien krijgt Martine hem aan de praat?” En toen zei de jongen: “Hola.” Nou sociaal gestoord dus niet en als hij Spaans kon, dan kon Antonio hem toch ook wel gewoon verstaan? Toen vroeg ik aan Antonio waarom hij zo fluisterde, want ik kreeg echt de indruk dat er iets geheimzinnigs of zo aan de hand was. “Nee, ik ben verkouden, ik heb geen stem meer.” “Oooooh, zeg dat dan,” dacht ik. Misschien was hier dus toch nog een gewone reden voor, en inderdaad, want toen zei Antonio dat de jongen in het midden een Nederlander was. Vol ongeloof keek ik naar de zwijgende jongen, hij leek totaal niet op een Nederlander, dus ik zei “Ben jij Nederlands?” waarop hij in perfect Nederlands antwoordde “Ja, ik ben Nederlands.” Nu viel het kwartje, het was een ‘verrassing’ van Antonio voor mij, omdat ik had gezegd dat ik wel graag een Nederlander in het huis zou willen hebben en daarom vroeg hij zo met zo’n grijns of ik hem ook kon verstaan. Ik was helemaal blij, want hij was per die avond in het huis gekomen en hij zou het hele semester blijven. Daarna meteen een uur gepraat over van alles en nog wat, en wat een verademing om gewoon eens in het Nederlands te kunnen praten met iemand, over hoe het hier in Sevilla allemaal, hoe verschillend dat is van de Nederlandse cultuur en ga zo maar door. Onze huisgenootjes zitten op de banken en stoelen om ons heen en bekijken het tafereel aandachtig verbijsterd niet snappende dat ik de nieuweling kan verstaan. Nou ja, ook wel logisch, want zij hebben me altijd alleen maar Spaans of Engels horen praten, dus die rare Nederlandse klanken uit mijn mond waren ze niet gewend!

jueves, 30 de diciembre de 2010

De rampen zijn de wereld nog niet uit

Week 12 (29 november - 5 december)
Maandag kon ik op een of andere manier bijna niet mijn bed uit komen,  sowieso de laatste tijd gaat dat moeilijk, maar na twee uur om de negen minuten half slapend op de snooze-knop te hebben geslagen, lukte het me eindelijk, en om tien uur was ik - fysiek - uit bed. Mentaal nog niet. Maar om elf uur had ik al college en op de fiets ben ik een dikke 20 minuten onderweg dus in een half uur moest ik me douchen, aankleden en ontbijten, iets waar ik normaal een uur de tijd voor nodig heb. Het bed schreeuwde werkelijk om er gewoon weer lekker in te kruipen en niet naar de les gaan, maar ik dacht “Nee Martine, kom op, je bent er nu uit, dus nu moet je ook volhouden.” Dus, bikkel ik (ik was echt trots op mezelf, aangezien ik opstond om naar mijn academisch zeer teleurstellende vak te gaan), heb me in constante toestand van haast gedoucht, aangekleed en twee broodjes naar binnen gewerkt. Snel alle boeken in de tas en sleutels pakken en die kant op. En toen haalde het lot een hilarische grap met me uit: mijn voorband van de fiets was lek. Na een paar minuten gevloek en getier vol ongeloof dat dit juist vandáág moest gebeuren (ik had dus net zo goed nog gewoon heerlijk in bed kunnen liggen, grrrr!) bedacht ik me dat ik ook met de bus kon gaan. Maar die is ook al zo’n grapjas, want iedere keer als ik richting die bushalte loop, komt de bus - me bijna uitlachend - net voorbij en moet ik minstens 20 minuten wachten tot de volgende. Dus toen maar besloten niet meer naar die les te gaan. Niet om m’n bed weer in te duiken, ik was nu toch al helemaal ready to go, maar om mijn ‘kapotte’ mp3 naar de servicio de posventa (klantenservice) van de Mediamarkt (jaaa, die hebben ze hier ook in Spanje!) te brengen. Waarom staat die kapotte tussen haakjes, denk je misschien. Nou, dat is een heel dom verhaal, ik dacht namelijk dat mijn mp3 kapot was, want hij wilde niet meer aan. En bij mijn vorige mp3, ook al was de batterij leeg, hij ging altijd even aan om te zeggen dat zijn batterij toch echt op was om vervolgens weer uit te gaan. En aangezien mijn nieuwe mp3 op die vorige leek, dacht ik dat mijn nieuwe mp3 - aangezien hij niet aanging om even te zeggen dat zijn batterij toch echt op was - kapot was, dat hij helemaal niet meer aan wilde. Dus ik naar meneer chagerijn van de klantenservice en die meldde me dat hij binnen 30 dagen (!) gemaakt zou zijn. “Nou fantastisch,” dacht ik, “aangezien dit Spanje is, zal dat wel zes weken worden.” De volgende dag had ik met Anke geskypet en dat haar verteld en toen zei ze: “En heb je ook geprobeerd hem aan te doen terwijl hij aan de stroom zat?” Shit. Nee! Oh, wat dom! Hij was dus waarschijnlijk helemaal niet kapot!!! Ik kon mezelf wel voor m’n kop slaan, ik was die mp3 - door mijn domme geredeneer - minstens een maand kwijt, om hem te laten ‘reparen’…

Maar goed, die fiets was wél echt kapot, dus ik dacht laat ik daar ook maar meteen verandering in brengen, deste eerder kan ik hem weer gebruiken en hoef ik niet meer met de bus. Dus aan de bouwvakkers die in ons huis waren - de eerste verdieping kreeg een nieuwe keuken geïnstalleerd, daarover straks meer - gevraagd of zij hier in de buurt ook een fietsenmaker wisten en dat wisten ze gelukkig wel als echte sevillanos. Dus daar heen en meneer de fietsenmaker vertelde me dat de binnenband lek was en dat de buitenband ook helemaal versleten was en dat die dus eigenlijk ook vervangen moest worden - kon ik hem niet helemaal ongelijk in geven. “Wat kost dat dan?” vroeg ik. “€15 voor beide banden.” Nou dat viel honderd punten mee aangezien wij bij Hotze €17 mogen neerleggen voor alleen een nieuwe binnenband. Ik zei: “Doe dan meteen de achterband ook maar, die is net zo versleten, en anders zal je zien dat ik hier morgen weer voor de deur sta.” Dus meneer de Spaanse fietsenmaker had er weer een dikke klant bij.

Dan nog even over de keuken die de eerste verdieping kreeg geïnstalleerd. Die nieuwe keuken is een onderdeel van het plan van onze huisbaas Antonio om het hele huis te renoveren. Onze verdieping is al helemaal klaar en ik moet zeggen dat ze goed werk geleverd hebben. Maar dat kan niet gezegd worden van dit nieuwe project: de keuken van de eerste verdieping is werkelijk afzichtelijk geworden. Om te begrijpen wat ik bedoel, ga ik even een beeld voor jullie schetsen: de kastjes zijn helemaal wit, net als in de vorige keuken, daar is op zich niets mis mee, een mooie neutrale kleur. Dan de vloer, die is van lichtblauwe tegeltjes, iets minder geslaagd maar daar valt nog mee te leven. Maar nou komt het, want het stijlgevoel van de vrouw van de huisbaas heeft bepaald dat het keukenblad en de keukentafel helemaal feloranje moesten worden. Fel oranje! Zo oranje als de naranjas (sinaasappels) die hier aan de bomen hangen! Als er één kleur is die per definitie NIET bij blauw past, is dat oranje, want dat is de tegenovergestelde kleur, net als geel en paars ook een vloekende combinatie is. En dat is nog niet alles, in dat bijna Hollands aandoende oranje van het keukenblad en de keukentafel zitten ook nog kleine stukjes glinsterend goud…  Het doet bijna zeer aan je ogen als je er naar kijkt. En toen ik die dinsdag of woensdag even de oven moest gebruiken, (alleen de eerste verdieping heeft een - werkende - oven) vroeg María José, zo heet de vrouw van Antonio, wat ik tot zo ver van de nieuwe keuken vond.
- “Nou wel een beetje fel dat oranje he?”
- “Ja, vind je? Nee, vind ik wel mee vallen hoor.”
- “Ja… Uhm, kan ik de oven gebruiken?”